Rapport van de Utrechtse Rekenkamer
Reïntegratie bijstandsgerechtigden schiet ernstig te kort
december 2006.
Op 10 oktober 2006 verscheen het rapport ‘’Maak Werk van Bijstand’’ van de Rekenkamer. Hieruit bleek dat er nogal wat knelpunten zijn in de uitvoering en organisatie van het gemeentelijke reïntegratiebeleid.
De gemeente Utrecht heeft in 2004 en 2005 minder mensen aan het werk heeft geholpen dan de bedoeling was. Ook heeft in zij in 2005 slechts 34 miljoen euro gebruikt van de 70 miljoen euro die beschikbaar was voor reïntegratie. Het is overigens onduidelijk of er een beter resultaat geboekt zou zijn als een groter deel van het budget was besteed. Van het besteedde geld is 11 miljoen euro via de reïntegratiebedrijven uitgegeven. Het
resultaat van deze bedrijven laat echter zeer te wensen over. Van de mensen die een traject gevolgd hebben, heeft 64 procent het traject zonder succes beëindigd en van de mensen die het traject wel beëindigden, is 60% niet uit de bijstand geraakt.
Waarschijnlijk is het resultaat in werkelijkheid nog veel slechter. Bij de succesvol uitgestroomde mensen worden namelijk ook diegenen meegerekend die op eigen houtje een baan hebben gevonden. Ook de voormalige ID-werknemers die bij UW bedrijven te werk gesteld zijn, worden beschouwd als zijnde succesvol uitgestroomd.
Donderslag
Nu komt de uitkomst van de Rekenkamer niet als een donderslag bij heldere hemel. In Werklozenkrant 113 (april 2006) hebt u in het artikel ‘’Reïntegratiebureaus op verkeerd spoor’’ al kunnen lezen over de slechte prestaties van de reïntegratiebureaus. De bureaus zijn zelfs zodanig ineffectief, dat het per saldo meer kost om mensen in een traject te zetten dan om ze jarenlang een uitkering te laten behouden.
Een belangrijke oorzaak voor het slechte resultaat is een gebrek aan kennis over de arbeidsmarkt. Een reïntegratiebureau zou een groot netwerk moeten hebben van werkgevers in de regio. Dit is meestal niet het geval. De beschikbare vacatures zijn versnipperd over CWI, reïntegratiebureaus en de gemeente.
Reïntegratiebureaus houden hun vacatures het liefst voor zichzelf, zodat ze er zelf iemand op kunnen plaatsen. Ze krijgen immers een premie als ze iemand laten uitstromen. Door dit alles is er geen goed beeld van de mismatch (de kloof tussen vraag en aanbod) op de arbeidsmarkt. Het arbeidsmarktbeleid en het reïntegratiebeleid zullen dan ook beter op elkaar moeten gaan aansluiten.
Verder is er een gebrek aan kennis over de individuele cliënten, wat nog eens versterkt wordt doordat Utrecht niet werkt met reïntegratiebureaus die gespecialiseerd zijn in bepaalde doelgroepen (zoals mensen met psychische problemen), of mensen uit een bepaalde beroepsgroep. Utrecht werkt slechts met twee grote reïntegratiebureaus, Calder en Nieuwland. Verwijzing naar één van deze bureaus vindt plaats op basis van de postcode waar iemand woont.
Klantmanagement
Al met al blijkt de gemeente geen goede informatie te hebben over de effectiviteit van reïntegratietrajecten en de relatie tussen kosten en baten. Dit wijst op een zeer onprofessionele aanpak, die het
bovendien lastig maakt om het beleid aan te passen. Immers, als niet bekend is waar het mis gaat, is het ook lastig om verbeteringen door te voeren.
Niettemin wil de gemeente de resultaten verbeteren door een nieuwe werkwijze, namelijk het klantmanagement, dat in april 2006 is ingevoerd. De klantmanager begeleidt de cliënten zowel bij de uitkeringsaanvraag als bij het traject naar een baan. Als een cliënt in aanmerking komt voor een traject, is de klantmanager de eerste contactpersoon. Deze stelt het reïntegratieplan op, waarna een standaard stappenplan volgt (met bijvoorbeeld een sollicitatietraining of een proefplaatsing) bij een reïntegratiebureau. Ook volgt hij het verloop van het traject.
Wat opvalt, is dat een cliëntenperspectief ontbreekt. Er wordt niet ingegaan op de vragen waarom veel reïntegratietrajecten niets opleveren, wat de ervaringen zijn van mensen die wel met succes een traject gevolgd hebben en welke conclusies daaruit getrokken kunnen worden.
Creativiteit
De meeste reïntegratietrajecten werken niet, zoveel is wel duidelijk. Er wordt teveel door de regels bepaald wat er mogelijk is. Deze aanpak verhindert creativiteit en alternatieve mogelijkheden en maakt mensen afhankelijk, gedemotiveerd en gedwongen tot passiviteit. Dit moet veranderen. Als mensen zelf in staat zijn vorm te geven aan hun leven, moet daar ruimte voor zijn. Er moet meer oog komen voor de eigen inbreng en eigen inzichten van de cliënt. Ook moet er een meer op bepaalde doelgroepen toegespitst beleid komen. Alleen dan hebben mensen de mogelijkheid om te doen wat bij hen past, zodat ze hun talenten in kunnen zetten voor de maatschappij, of het nu regulier werk betreft, dan wel vrijwilligerswerk. De instrumenten voor een nieuw beleid zijn al aanwezig, in de vorm van PRB’s en vangnetbanen. Door deze instrumenten vaker in te zetten, wordt kapitaalvernietiging voorkomen, zowel in financieel opzicht, als wat betreft de vaardigheden die iemand in huis heeft. Bovendien zullen mensen gemotiveerder zijn en ook dit komt uiteindelijk de maatschappij als geheel ten goede.
Het Persoonsgebonden Reïntegratie Budget
Jammer genoeg ontbreekt in de monitor informatie over het PRB (Persoonsgebonden Reïntegratie Budget. Dit budget biedt Utrechtse bijstandsgerechtigden de mogelijkheid zelf een trajectplan te schrijven en zo de reïntegratie in eigen hand te nemen. In dit plan kan bijvoorbeeld scholing worden opgenomen. Voor mensen met WW bestaat iets dergelijks al langer in de vorm van de Individuele Reïntegratie Overeenkomst (IRO) en hier is gebleken dat een eigen traject betere slagingspercentages oplevert dan een standaard traject. Ook zijn de cliënten meer tevreden. De klantmanager bepaalt of iemand voor een PRB in aanmerking komt. Helaas zijn de PRB’s bij de klantmanagers nog onvoldoende bekend (van de honderd beschikbare PRB’s voor 2006, waren er in oktober slechts acht gebruikt). Er is een aantal voorwaarden verbonden aan het PRB. De cliënt moet in staat zijn zelf een (haalbaar) plan op te stellen, het plan moet arbeidsmarktrelevantie hebben, de cliënt mag geen inkomsten hebben naast de uitkering en het plan mag niet langer duren dan één jaar. In individuele gevallen kan hier echter van afgeweken worden.
|